.
.

De mijnen

 
" Een land dat zijne natuurlijke hulpbronnen niet weet te gebruiken,
 
  .  
 
bewijst dat het deze niet waard is "
 
     
 
Deze historische woorden sprak de Venlose Priester-Parlementariër Dr. Willem H. Nolens uit
 
 
op 22 December 1897, in de Tweede kamer.
 
  .  
  Het prille begin  
     
 

en schat dat Limburg rond het jaar 1100 met de steenkolenontginning is begonnen. De steenkool werd gewonnen in kleine graverijen (dagbouwontginningen) en vonden hun oorsprong in het "Wormdal". Doordat het riviertje "De Worm" het dal diep heeft uitgeslepen, kwamen hier de nodige kolenlagen aan de oppervlakte. Met schop en pikhouweel werd de eerste steenkool gewonnen. In de 14e eeuw konden de dieper gelegen kolenlagen alleen nog worden bereikt door tunnels aan te leggen. Door deze tunnels (galerijen) werden de kolen, alsook het mijnwater afgevoerd.

Na 1550 bereikte men een niveau dat dieper lag dan de waterspiegel van "De Worm" en pompte men het water weg door middel van handpompen. Rond 1650 werden deze handpompen vervangen door pompen, aangedreven door de waterkracht van het riviertje. Vaak werd door de eigendomsgrenzen van het terrein (zogenaamde concessiegrenzen) de ontginning beperkt. In die tijd gold, dat als men de eigenaar was van het terrein, men tevens de eigenaar van de delfstoffen was. Vanaf ca. 1750 werd buskruit gebruikt bij het aanleggen van de ondergrondse galerijen. Echter, de kleinere ondernemingen waren niet kapitaalkrachtig genoeg om de hoge kosten voor het aanleggen van steeds langere steengangen en de steeds groter wordende watertoevloed te bekostigen. Zij fuseerden om zo de kosten voor de inrichting, ontsluiting en de exploitatie van de mijn te financieren. In 1741 begon ook de Abdij "Rolduc" met de ontginning van kolen in het wormdal. Om kolenwinning op grotere schaal mogelijk te maken, kocht de Abdij alle grondgebieden in de omgeving op, op één gebied na.
Het wormdal, de bakermat van de steenkoolindustrie

Dit gebied behoorde tot de "Prickkoul", een zelfstandige onderneming. Niet alleen in Kerkrade werd naar kolen gezocht. Ook in Schinnen heeft men in 1772 diverse malen getracht een schacht te bouwen, maar door de grote wateroverlast moest men keer op keer de pogingen staken. De ontginning van kolen door de Abdij Rolduc duurde tot 1794 toen door de Fransen het gehele gebied werd bezet en de mijn in Franse handen viel. Enkele andere Kerkraadse mijnen werdendoor het Franse bewind verder geëxploiteerd onder de naam "Mines Domaniales", en er werd bepaald dat grondeigenaren niet meer op eigen houtje delfstoffen mochten ontginnen.

 
     
  De periode tot 1900  
     
 

In 1810 werd de Franse mijnwet ingevoerd. De rechten van de grondeigenaren werden ondergeschikt gemaakt aan die van de staat, en zo werd min of meer een monopolie op de concessierechten door de staat verkregen. In 1808 werden voor de periode van 5 jaar, aan de mijn Prickkoul concessierechten verleend. Ook ontstond in dat jaar de mijn "Bleijerheide". Deze sloot alweer in 1823, maar de concessie bleef bestaan. In 1852 werden beide mijnen en hun concessies eigendom van de "Pannesheider Mijnvereeniging". De ontginning werd voortgezet onderde naam "Neuprick", echter sloot wederom in 1904 door een grote watertoevloed. De vroegere mijnen van de Abdij Rolduc werden tot 1815 door de Franse staat geëxploiteerd. In datzelfde jaar werden ze eigendom van de Nederlandse Staat, en kregen ze de naam: Domaniale Mijnen.

In 1826 werd hier door de Nederlandse Staat een nieuwe schacht aangelegd, waar de éérste stoommachine geïnstalleerd werd. In 1839 werd het verdrag tot scheiding van Zuid- en Noord Nederland ondertekend, waardoor de Domaniale Mijnen in Nederlandse handen overgingen. Kort daarna werd de mijn door technische en financiële moeilijkheden voor 99 jaar verpacht aan de Aken-Maastrichtse spoorwegmaatschappij en er werd een spoorlijn aangelegd tussen Aken en Maastricht. De maatschappij vond echter de exploitatie van de spoorweg financieel aantrekkelijker, dan de exploitatie van de mijn, waardoor er maar zeer weinig vernieuwingen doorgevoerd werden in de mijn. Pas rond 1900, nadat de inmiddels noodlijdende spoorwegmaatschappij aan de "Nederlandse, Pruisische en Belgische Staat" was overgedragen, kwam de mijnexploitatie in de belangstelling te staan. Door de stijgende kolenprijzen ging de Staat zich nu intensiever met de ontginning van kolen bemoeien. In 1925 werd de naam van de mijn veranderd in "Domaniale Mijn Maatschappij NV". De spoorlijn van de Domaniale Mijn naar Simpelveld bleef eigendom van Aken-Maastrichtse spoorwegmaatschappij. Later werd de mijn "Willem-Sophia" op deze spoorlijn aangesloten en werd de spoorlijn steeds belangrijker voor het vervoer van kolen. (Rechts: De Nullandschacht (Neuland) te Kerkrade)
 
     
 
Tussen 1862 en 1880 werden veel verkenningsboringen uitgevoerd. In 1856 werd in Den Haag door een aantalconcessionarissen de "Bergwerkvereeniging voor Nederland" opgericht. Deze probeerden een aantal concessies teverwerven, waaronder de Willem en de Sophia. Vaak ontbraken echter de nodige financiën en vervielen zoals ook hier de concessies doordat ze niet binnen de gestelde termijn in bedrijf werden genomen. Ook de technische kennis ontbrak voor het afdiepen van de schachten in het drijfzandterrein. Bovendien ontbrak het aan geschikte afvoerwegen. Ook te "Ham" bij Kerkrade werd in 1862 gestart met het afdiepen van een schacht door de Bergwerkvereeniging. Enkele maanden later werden de werkzaamheden alweer gestaakt. Ook tussen 1876 tot 1877 werd er een poging gedaan om deze schacht af te diepen, echter wederom zonder succes.
De Neuprick te Bleijerheide, Kerkrade

Toen in 1878 de onderneming overging in Belgische handen, vorderde het afdiepen tot 55 meter, waarna het werk weer gestaakt werd. De keuze van de locatie bleek niet juist. In het jaar 1898 ontstond de "Société Anonyme des Charbonnages Willem et Sophia" te Brussel, die in 1899 met de aanleg begon van twee schachten. Alle concessies, behalve die van de Laura, Vereeniging en Carl, werden in 1891 ingetrokken vanwege het niet nakomen van hun verplichtingen.

 
     
 
Op 2 Mei 1893 verkreeg Henri Sarolea (Een deskundige op het gebied van spoorwegenbouw) een aantal concessies onder de naam "Oranje Nassau". Samen met Carl en Friedrich honigmann (Deze broers waren mijnontginners en industriëlen uit Aken) , plande hij de aanleg van een nieuwe steenkolenmijn. Friedrich honigmann ontwikkelde een manier om schachten af te diepen in de waterhoudende bodem van Zuid-Limburg. De aanleg van de éérste schacht startte op 1 Oktober 1893 in Heerlen en wel op de plaats van de latere ON I (Oranje Nassau I). In datzelfde jaar werd begonnen met het aanleggen van de spoorlijn Sittard-Heerlen-Herzogenrath. Deze werd in gebruik genomen in 1896. In 1894 werd gestart met het afdiepen van een twééde schacht. In deze schacht bereikte men, eerder nog dan in schacht één, het carboon. In 1899, toen beide schachten met elkaar verbonden waren, kon men beginnen met het daadwerkelijke ontginnen van de steenkool.
De Oranje-Nassau I te Heerlen in aanleg (1894)

De éérste ON-mijn was in bedrijf. In 1898 begon de nieuwe concessionaris met de aanleg van twee schachten in Schaesberg, in de concessie "Carl", de latere Oranje Nassau II Mijn. Dit was, hoewel men dit toen natuurlijk nog niet weten kon, de start voor een opbloeiende en langdurige ontwikkeling van de steenkoolontginning en de mijnbouwindustrie in de mijnstreek.

 
     
  De periode van 1900 tot 1945  
     
 

Rond 1900 bemoeide ook de staat zich met de mijnbouw. Eén van de vragen was hoe het steenkolengebied te verdelen onder de particuliere ondernemers en de staat. Het resultaat van het hiervoor ingestelde onderzoek was, dat het gehele overgebleven gebied ter grootte van 16.500 hectare (waar men kolen vermoedde), aangewezen zou moeten worden voor kolenwinning door de staat. Het terrein werd gereserveerd voor exploitatie van Staatswege en alle nog in behandeling zijnde concessies werden van de hand gewezen. Het terrein werd overigens later nog vergroot. In 1902 werden de "Staatsmijnen" opgericht en een jaar later werd begonnen met de aanleg van de éérste staatsmijn. Staatsmijn "B" in terwinselen (de latere Staatsmijn Wilhelmina). De éérste kolen kwamen naar boven in 1903, maar het duurde tot 1906 voor de mijn officieel in gebruik werd genomen. De mijn produceerde als enige staatsmijn "magerkolen". In 1908 werd gestart met de aanleg van een tweede Staatsmijn in Hoensbroek. De mijn werd de "Emma" gedoopt en kwam in 1914 officieel in gebruik. Aanvankelijk leverde de Emma alleen "Vet-kolen" waardoor naast de mijn, een voor die tijd grote cokesfabriek en bijbehorende chemische fabrieken werden gebouwd.

Deze cokesbedrijven begonnen hun productie in 1919. In 1906 trad het "Mijnregelement 1906" in werking. Dit verving voor mijnwerkers de Arbeidswet en Veiligheidswet. Toezicht hierop hield het "Staatstoezicht op de Mijnen". In 1911 werd, op initiatief van H.A. Poels, de centrale van woningbouwverenigingen "Ons Limburg" opgericht. Doel was huisvesting te creëren voor het snel toenemend aantal mijnarbeiders. Zo ontstonden de zogenaamde "mijnwerkerskoloniën". In 1909 werd er begonnen met het inzetten van arbeiderstreinen op het traject Maastricht-Sittard om zo de mijnwerkers, die wat verder van de mijn af woonden, toch binnen een redelijke tijd op hun werk te laten komen. In 1913 werd in Heerlen de Ambachtschool en de Mijnschool voor Heerlen en omstreken opgericht. Doel was om een gedegen opleiding te bieden voor aanstaande mijnopzichters. Deze mijnopzichters achtte men nodig voor het toezicht opondergrondse werken van aanleg en ontginning.
Staatsmijn Wilhelmina in Terwinselen in aanleg

In 1903 is de "Centrale Bond van Rooms-katholieke mijnwersverenigingen" opgericht. Dit was een overkoepelende organisatie boven de lokale mijnwerkersverenigingen. In 1907 is de "Christelijke Mijnwerkersbond", en in 1911 de "Algemene Nederlandse Mijnwerkersbond" opgericht. Het "Fonds voor Sociale Instellingen ten behoeven van de werklieden der Staatsmijnen", ofwel het FSI werd opgericht. Deze stichting had als doel, het bevorderen van de belangen van de werklieden der Staatsmijnen. Men zou kunnen zeggen dat tussen 1900 en 1920 de steenkoolontginning een volwaardige industrie werd. In 1905 ging de éérste mijn van de "Laura & vereeniging" in productie, de Laura in Eygelshoven, Kerkrade. Een tweede mijn, de Julia ging inproduktie vanaf 1926 en was eveneens in Eygelshoven, iets oostelijker gelegen als haar "zuster" de Laura. De Julia was voor haar tijd een van de modernste steenkolenmijnen in Europa. De eerder genoemde "Société Anonyme des Charbonnages Willem et Sophia" slaagde erin om in korte tijd twee schachten aan te leggen in het dorp Spekholzerheide bij Kerkrade. Zij maakte hierbij gebruik van de zogenoemde "bevriesmethode", een uitvinding van Poetsch. In 1902 kwam de mijn, genaamd Willem-Sophia in productie. Ook de concessiehouder Oranje-Nassau zou spoedig twee nieuwe kolenmijnen gaan bouwen. De eerste in Heerlerheide, de ON III.

Pas in 1927 bouwde Oranje-Nassau haar vierde en laatste mijn, de ON IV. Gelegen aan de "Heksenberg" te Heerlen. De Staatsmijnen, die de grootste concessies bezaten, bleven ook niet achter. Zo ging in 1915 de derde staatsmijn in productie, de Hendrik in Brunssum. In 1923 werd de vierde staatsmijn, staatsmijn Maurits, gelegen bij het plaatsje Geleen, productief. De Maurits werd de grootste en modernste kolenmijn van Europa. In 1954 werd door de staatsmijnen begonnen met het afdiepen van twee schachten van een vijfde staatsmijn. Deze mijn ligt in tegenstelling tot de andere steenkolenmijnen niet in het Zuid-Limburgveld maar in het Peelveld. Beide steenkolenvelden worden gescheiden door een "slenk". In deze slenk ligt de steenkoolrots op meer dan 2000 meter diepte, waardoor ontginning zeer moeilijk is. Er is sprake geweest van nog twee grote steenkolenmijnen en een proefmijn gelegen in het Peelveld. Gezien de economische omstandigheden in de tweede helft van de jaren vijftig, bleek een winstgevende exploitatie echter nauwelijks meer haalbaar.
De Oranje-Nassau III mijn te Heerlerheide
 
     
  De periode van 1945 tot 1958  
     
 

Vlak na de oorlog in 1945 werd er speciaal aandacht besteed aan de jeugdige mijnwerkers. De opleiding van de toekomstige ondergrondse arbeider ging voortaan "OVS" heten, ofwel de Ondergrondse Vak-School. In 1949 werd in samenwerking met de particuliere mijnondernemingen, te Treebeek / Hoensbroek, het instituut voor Longonderzoek opgericht. Woningbouw en werving werden met kracht voortgezet. De onder beheerstellingen van de particuliere mijnen werd in het voorjaar van 1949, en de distributie van kolen in 1950 opgeheven. Er werden vele moderniseringen en uitbreidingen van de mijnbedrijven uitgevoerd. Enkele pijlers werden gemechaniseerd. Er werden nieuwe schachten aangelegd, nieuwe wasserijen gebouwd en voorzien van de nieuwste wastechnieken. Ketelhuizen alsook elektrische centrales werden vergroot. In 1952 werd begonnen met de aanleg van de bovengenoemde Staatsmijn Beatrix in Vlodrop. Gepland was dat de Beatrix de nagenoeg uitgeputte Wilhelmina in Kerkrade zou gaan vervangen.

Mijnschool te Heerlen

In de gemeente Beek werd een gloednieuwe cokesfabriek gebouwd, de "Emma II", die de versleten cokesfabriek Bij de Staatsmijn Emma in Treebeek moest vervangen. De cokesfabriek "Maurits" (grenzend aan de Staatsmijn Maurits) werd grotendeels uitgebreid en onderging een uitgebreide revisie. Ook het ondergrondse bedrijf werd met kracht aangepakt en in de loop der jaren verder uitgebouwd. In 1952 kwam een belangrijk verdrag tot stand. De EGKS, ofwel de Europese Gemeenschap voor kolen en Staal. Doelstelling van dit verdrag was om eengemeenschappelijke markt voor kolen en staal te ontwikkelen. Aangesloten landen waren: Nederland, België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Italië.

 
     
  De periode van 1958 tot 1965  
     
 

De steenkoolindustrie kreeg het steeds moeilijker. Aardolie en aardgas werden steeds grotere concurrenten op de energiemarkt. Daarbij kwam, dat door een verbetering in het proces bij de staalproductie, het cokesverbruik werd gehalveerd. Steeds meer kolen werden tegen steeds lagere prijzen geïmporteerd. De crisis in de kolensector was begonnen, met namein de EGKS-landen. 1957 werd gekenmerkt door een regressie van zo'n 35 miljoen ton kolen. Dit was te wijten aan twee factoren: enkele verbruikers begonnen hun voorraden op te maken en de industriële expansie verliep veel langzamer dan verwacht.

Ook was er een vermindering te constateren van het kolenverbruik. Tevens de invoer van Amerikaanse kolen, waarvoor langlopende contracten werden afgesloten, speelden een belangrijke rol, evenals de diepe val van de zeevrachttarieven. De kolenvoorraden in de EGKS stegen daardoor enorm. Het handelsverkeer tussen landen van de EGKS liet een aanmerkelijke teruggang zien. In 1959 sloten enkele buitenlandse mijnzetels door ongekende economische problemen. En ook in Nederland stapelden de problemen met betrekking tot de afzet zich op. In 1962 vond een 'fusie' plaats tussen de staatsmijnen Emma en Hendrik. De bouwactiviteiten aan de vijfde staatsmijn Beatrix in Vlodrop werden gestaakt. De schachten werden geconserveerd en het personeel werd ondergebracht op de overige staatsmijnen. Dit waren de eerste tekenen tot een aanzet van het beëindigen van de steenkoolwinning. Ook de ontdekking van de aardgasbel bij slochteren sterkte de onzekerheid in de Limburgse mijnstreek. In 1963 werd de kolenwinning in de zogenaamde steile vleugel van de staatsmijn Emma -beterbekend als het "zadel van Puth"-, met schacht IV in Schinnen, gestaakt.
Schacht II van de staatsmijn Beatrix anno 2014
 
     
  De periode van 1965 tot 1974  
     
 

In 1965 kwam uit monde van de toenmalig minister van economischezaken, de doodsteek voor de mijnindustrie, de mijnnota. In deze regeringsnota werd het besluit genomen om de kolenwinning in Zuid-Limburg geleidelijk aan stop te zetten. De goedkope importkolen en de olie maakten de Limburgse kolen uit oogpunt van de strategische voorraadvorming in het kader van de Nederlandse economie niet meer nodig. In 1966 werd beslist dat de Domaniale Mijn in Kerkrade nog vóór 1970 gesloten diende te worden.

De moderne staatsmijn Maurits te Geleen, en de naast gelegen cokesfabriek werden in 1967 gesloten. In 1968 volgde de cokesfabriek Emma II te Beek. Dit mede door het ontbreken van voldoende vetkool. Oók de Oranje-Nassau mijnen werden niet gespaard. Zo werden de ON III te Heerlerheide en de ON IV bij de Heksenberg samengevoegd tot één mijnbedrijf. Ook de Laura en de Julia te Eygelshoven werden geïntegreerd tot één mijnbedrijf. Bij de staatsmijnen Maurits en Hendrik werd begonnen met het dichten van de schachten. De staatsmijn Wilhelmina alsook de Domaniale Mijn sloot in 1969, waarmee een definitief einde kwam aan de winning van vetkool. In 1970 sloot de Willem-Sophia haar deuren, gevolgd door de ON II in 1971. Medio 1973 werd de staatsmijn Emma/Hendrik gesloten, en ook ging de ON III te Heerlerheide voorgoed dicht. De twee overgebleven mijnen, de ON I te Heerlen en de Julia in Eygelshoven sloten als laatste hun deuren in 1974.

 
   
Den Uyl kondigd de mijnsluitingen aan

In de tijden hierna zijn vrijwel alle gebouwen, koeltorens, spoorwegemplacementen, schoorstenen en schachtgebouwen gesloopt en de steenbergen afgegraven of ingericht voor nieuwe doeleinden. De voormalige steenberg van de ON II werd een draf- en renbaan. De naastgelegen steenberg van de vroegere staatsmijn Wilhelmina doet nu dienst als Europa's grootste indoor skipiste. Uit de steenberg van de Willem-sophia worden tot heden nog grondstoffen gewonnen die gebruikt worden bij het asfalteren van wegen en fietspaden. De koeltorens van de staatsmijn Maurits te Geleen deden nog tot voor kort hun diensten ten behoeve van fabrieken van DSM.

 
.
 
  Copyright © DeMijnstreek.nl 2005 - 2015 Disclaimer Contact Cookiebeleid  
Deze website werd verzorgd door: